Duitse Nachtjagers

De Nachtjagergroepen: (bron: German Aces over Holland)

In Nederland zijn twee Nachtjagdgeschwader (NJG) actief geweest.NJG1 is al op 22 Juni 1940 in Mönchengladbach, Duitsland, opgericht. Dit eskader is het meest succesvolle Nachtjagdgeschwader van de tweede wereldoorlog met 2311 overwinningen, zowel overdag als s’nachts.

 

 

 

 

In het begin van de oorlog was de Luftwaffe alleen gericht op het aanvallen van de vijand. Echter kwam men er snel achter dan de Engelsen ook in staat waren om vooral s’nachts Duitse steden en industrieën aan te vallen.
De aanvalseskaders Zerstörergeschwader 1 (ZG 1) en IV./Zerstörergeschwader 26 (ZG 26), werden daarom vanaf juni 1940 omgeschoold van aanvallende eenheden in verdedigende eenheden, gespecialiseerd in het s’nachts opsporen en vernietigen van geallieerde bommenwerpers.
In september 1940 werd een deel van NJG1 op Gilze-Rijen omgevormd naar NJG2, en samengevoegd met delen van Zerstörergeschwader 2 (ZG 2). Ook werd delen van Zerstörergeschwader ZG 76 aan de nachtjagergeschwader 1 en 2 toegevoegd.

De vliegtuigen
Dornier DO 17Z-7/10

De DO 17 werd wel eens het vliegende potlood genoemd vanwege zijn smalle vorm. De vliegtuigen waren ontwikkeld als licht bommenwerpers, maar door diverse modificaties ook geschikt als nachtjager. Helmut Woltersdorf heeft vaak met dit type vliegtuigen gevlogen. De DO 17 werd al in 1941 niet meer geproduceerd en vervangen door de veel beter vliegende Junckers Ju 88.

Dornier Do 215B-5

De DO 215 was de opvolger van de Do17. De 215 werd veel gebruikt voor verkenningsvluchten en was voorzien van meerdere kamera’s. De nachtjagerversie, 215B-5 ook wel de Kauz III (uil) vanwege zijn spanner-anlage. De bedoeling was om met deze inrichting vijandelijke vliegtuigen op te sporen tijdens de nachtjacht. Later werd dit type vliegtuig ook met Lichtenstein uitgevoerd, maar werd in 1944 uit de lucht genomen.

Junkers Ju 88C

De Junckers 88C was van oorsprong ontworpen als jager/bommenwerper met vast opgestelde voorwaarts gerichte machinegeweren. Er zijn diverse variaties van dit type in de loop van de oorlog ontwikkeld. In totaal zijn 16,000 Ju 88s gebouwd. De eerste nachtjagerversie van de Junckers was de C-2, een aangepaste bommenwerper met 20 mm MG FF kanon en drie 7,92 mm MG 17 machinegeweren. Deze zaten in een stalen neusstuk. De eerste vliegtuigen werden gebruikt door het Zerstörerstaffel 30 of KG 30, die al snel omgeschoold werd tot II/NJG 1 in juli 1940.
In 1942 werd de C-6b versie voor het eerst uitgerust met een FuG Lichtenstein B/C radar en uitvoerig getest door het NJG1 boven Nederland. In 1944 werden ook deze vliegtuigen omgebouwd naar de FuG 220 Lichtenstein SN-2 radar.

Heinkel He 219

De Heinkel He 219 Uhu (uil) was een nachtjager, die pas aan het einde van de oorlog werd ingezet door de Duitsers. Het vliegtuig bezat een voor die tijd een hypermoderne radaruitrusting inclusief een goed werkende Lichtenstein. Ook was het allereerste militaire vliegtuig met schietstoelen en een neuswiel. Omdat de constructie erg complex was konden de Duitsers deze vliegtuigen niet snel genoeg produceren. Anders had dit vliegtuig de oorlog misschien nog langer laten duren. Qua vliegeigenschappen waren de Heinkels even gevaarlijk als de engelse Mosquito’s .

Messerschmitt Bf 109

De Naam Messerschmitt Bf 109 is een samenstelling van de ontwerper (Willy Messcherschmitt) en de fabriek waar de eerste toestellen werden gebouwd (Bayerische Flugzeugwerke). Al ruim voor het begin van de tweede wereldoorlog werd dit type vliegtuig al gebouwd. In die tijd was het een moderne jager met een gesloten cockpit, een intrekbaar landingsgestel en werd voortbewogen door een watergekoelde omgekeerde V12 motor. De BF109 was door steeds nieuwere en sterkere motoren in te bouwen competatief met de geallieerde jagers zoals de P-51D Mustang, Spitfire Mk. XIV en de Hawker Tempest Mk.V. In totaal zijn meer dan 30.000 BF109’s gebouwd gedurende de tweede wereldoorlog.

Messerschmitt Bf 110

De BF 110 werd ook als aanvalswapen ontworpen. In de begindagen van de tweede wereldoorlog waren de vliegtuigen nog succesvol bij de luchtslagen in Polen, Noorwegen en Frankrijk. Tijdens de “ Battle of Britain” bleek de 110 minder wendbaar dan gedacht en was dus een gemakkelijke prooi voor de snellere en wendbaardere geallieerde toestellen. Veel toestellen kwamen dan ook zwaar gehavend of helemaal niet terug. Een aantal van de sterk uitgedunde Jagdgeschwader werden al snel uit de strijd gehaald. Ze werden omgeschoold tot nachtjagers. Dit bleek een goede keuze. De BF110 blijkt achteraf de meest succesvolle nachtjager te zijn. De meeste grote azen van de nachtjacht vlogen in deze toestellen. De meest succesvolle aas, Majoor Heinz-Wolfgang Schnaufer vloog alleen in 110’s en claimde 121 overwinningen in 164 missies.
In het begin was de BF110 een 2 zitter, echter door de komst van de radarapparatuur aan boord van de vliegtuigen werden sommige versies van de ME110 voorzien van 3 bemanningsleden: piloot, radio- operator en schutter.

Op jacht naar de bommenwerpers.
In het begin werden de vliegtuigen op goed geluk de lucht ingestuurd in de hoop een vijandelijk toestel op te sporen en te vernietigen. Later werd deze taktiek door de komst van het Himmelbett veranderd in het zogenaamde DUNAJA “Dunkele Nachtjagd”.
Bij deze aanvalstechniek werd de nachtjager door middel van radarposten naar het doel geleid. Hier aangekomen moest de piloot zelf het bewuste vliegtuig opsporen. De opvolger van deze techniek werd het zogenaamde HENAJA “Helle Nachtjagd”. Bij deze manier van aanvallen werden de piloten geholpen door het gebruik van zoeklichten op de grond. De zoeklichten waren ook door de radar gestuurd en zorgden ervoor dat de piloten van de bommenwerpers tijdelijk verblind warden en de piloot van de nachtjager het doel makkelijker kon onderscheppen.
Een groot nadeel van deze twee manieren van aanvallen was dat er steeds maar 1 vliegtuig door een radarstation kon worden geholpen bij de jacht op geallieerde bommenwerpers.
De geallieerden hadden in die tijd ook door hoe de verdediging van het Duitse Reich in elkaar zat. Ze stuurden de bommenwerpers in grotere groepen door 1 zone. Omdat er maar 1 jager tegelijkertijd door de radar naar de vijand gestuurd kon worden, was de overlevingskans van de grote groep bommenwerpers groter.

Duitse tegenmaatregel.
Wilde Sau ( Wilde zeug)

Omdat de Duitsers op hun beurt weer zagen dat de bommenwerpers in grote groepen tegelijk door 1 zone vlogen werd de methode van de “Wilde Sau” ontwikkeld. De jagers werden door de radarstations richting de stroom van bommenwerpers gestuurd. De jagers groepeerden zich boven de bommenwerpers, tegelijkertijd werden de bommenwerpers van onderen door zoeklichten verlicht. Het beste werkte dit systeem als er laaghangende bewolking was en de bommenwerpers als het ware tegen de verlichtte wolken scherp aftekenden. Ook konden met de FLAK-kanonnen fakkels de lucht in geschoten worden om het gebied extra te verlichten.
Ook werd deze manier vaak toegepast boven het doel. Door de brandende stad of installatie werden de bommenwerpers toch al verlicht, dus konden de jagers de bommenwerpers gemakkelijker vinden.
Het grootste nadeel van dit systeem was dat de jagers moesten blindvliegen totdat ze het doel bereikten. Een deel van de vliegtuigen kon de stroom aan bommenwerpers niet vinden, omdat de bommenwerpers altijd in een zig-zag koers vlogen.
De techniek van Wilde Sau werd later vervangen door de methode “Zahme Sau”.

Zahme Sau ( tamme zeug)
Door het met elkaar verbinden van de radarstations en de uitvinding van een betere radar aan boord van de vliegtuigen (Lichtenstein Radar), werd tot de aanval met de Zahme Sau overgegaan.
De werking was als volgt:
Op het moment dat de radarstations aan de kust een groep bommenwerpers oppikte werden meerdere radarstations in de route van de bommenwerpers gewaarschuwd. Per radarstation werden 3 jagers de lucht ingestuurd en bleven deze de wacht houden rond een baken (Funkfeuer). Op het moment dat de eerste bommenwerpers in het gebied van de radarpost kwam werden de vliegtuigen 1 voor 1 in de stroom bommenwerpers gestuurd om met hun eigen radar de bommenwerpers op te sporen en te vernietigen.

Hulpmiddelen
In het begin van de nachtjacht moesten de piloten op goed geluk maar kijken of ze “toevallig”een vijand tegenkwamen.
Ook bij de DUNAJA en de HENAJA waren de bemanningen van de jagers kompleet afhankelijk van hun eigen waarnemingen.
De eerste echte pogingen om vliegtuigen in de lucht op te sporen was het zogenaamde Spanner-Anlage. Een soort infrarood kijker in de cockpit. Het systeem heeft nooit echt goed gefunctioneerd, omdat het te veel signalen ontving en de piloot het juiste signaaltje er tussen uit moest zien te vinden. Eigen ogen bleven dus noodzakelijk.

De eerste echt werkende radar was de zogenaamde Lichtenstein. De eerste uitvoeringen FuG 202 Lichtenstein B/C hadden een 32 potige Di-pool antenne (Matratze) . Helaas was het bereik van de antennes niet groot en werd het signaal door de geallieerden met zilverpapier eenvoudig verstoord.

  

De Matratze Hirschgeweih

De tweede generatie was de FuG 220 Lichtenstein SN-2. Dez had een enorme constructie op de neus van het toestel (Hirschgeweih ). Hierdoor werd de snelheid met 50 km/uur afgeremd. Gelukkig vlogen de bommenwerpers in die tijd ook niet erg snel, maar van een snelle interceptie was geen sprake.
Latere versies van de SN-2 hadden meer compacte antennes. Ondanks al deze ontwikkelingen heeft dit uiteindelijk niet geleid tot het stoppen van de bombardementen van Duitsland en moest de oorlog uiteindelijk als verloren beschouwd worden. Gelukkig maar.

De aanval.
De bommenwerper vinden was 1 ding, het uitschakelen was een uitdaging op zich. Bommenwerpers waren goed bewapend voor aanvallen van boven, voor en vooral van achter. Een aanval van opzij was zo goed als onmogelijk door de naar voren gerichte kanonnen en machinegeweren van de nachtjager. De bommenwerper had alleen een flinke blinde vlek aan de onderzijde van het vliegtuig.
De nachtjagers maakten daarom meestal gebruik van de aanval vanaf onder.

 

De werking was als volgt.

  1. De nachtjager kruipt voorzichtig onder de bommenwerper en vliegt met dezelfde snelheid als de bommenwerper. 
  2. De nachtjager trekt zijn vliegtuig snel op. De nachtjager begint de brandstoftanks en de vleugels als eerste te raken.
  3. Door het optrekken beweegt de jager omhoog en zal langzamer dan de bommenwerper komen te vliegen.
  4. Op dit moment komt de jager in het schootsveld van de staartschutter. Als de jager een steilere hoek heeft dan het schootsveld van de staartschutter kan hij de schutter uitschakelen. Vaak hadden minder ervaren nachtjagers de hoek niet goed ingeschat en werden alsnog uitgeschakeld door de staartschutter.

 

De Amerikanen hadden dit probleem van buikaanvallen serieus genomen en onder de vliegende forten een draaibare geschutskoepel geplaatst. De zogenaamde Sperry Ball Turret.

 

Later in de tweede wereldoorlog hebben de Duitsers een aantal machinegeweren schuin omhoog in het midden van de cockpit geplaatst. De Duitsers noemden dit “Schräge Musik” , letterlijk vertaald: schuine muziek. Hierdoor konden de nachtjagers ongezien onder de buik van de bommenwerper kruipen, terwijl ze gewoon rechtdoor vlogen. De bemanning van de bommenwerper was vaak volledig verrast door de aanval.
Bemanningsleden die een aanval met deze nachtjager overleefden, dachten dat ze door FLAK-vuur waren aangevallen.
Interior view of Messerschmitt Bf 110G-4 Schräge Musik installation:

                          1. MG FF/M 
                          2. Main drums 
                          3. Reserve drums 
                          4. Pressurized container with pressure-reducing gear and stop valve 
                          5. Spent cases container 
                          6. FPD and FF (Radio installation) 
                          7. Weapon mount 
                          8. Weapon recoil dampener

Bronvermelding: Wespennest Leeuwarden, Ab Jansen http://www.luchtoorlog.net
http://www.gyges.dk

Messerschmitt Bf 110  (bron: Wikipedia, foto’s en afbeeldingen volgen binnenkort)

De Messerschmitt Bf 110 (later Me 110) was een tweemotorige lichte jachtbommenwerper in dienst van de Luftwaffe tijdens de Tweede Wereldoorlog.

De Bf 110 werd met succes ingezet tijdens de campagnes tegen Polen en Frankrijk. Tijdens de slag om Engeland bleek de fatale zwakte tegenover aanvallen van eenmotorige jagers en kon het zijn rol (het beschermen van bommenwerpers over langere afstand) niet vervullen. Het toestel was niet wendbaar genoeg ten opzichte van de Britse Spitfire en Hurricane. Dit kwam onder andere doordat de zware boordkanonnen in de neus van het toestel waren gemonteerd. Het kwam tijdens de Slag om Engeland regelmatig voor dat een eskader Messerschmitt Bf 110’s gedwongen was om in een grote cirkel te vliegen om elkaar met hun zware boordkanonnen te beschermen tegen de niet aflatende zwermen Britse, eenmotorige jagers. Van het escorteren van Duitse bommenwerpers kwam zo dus weinig meer terecht.

Het toestel werd toen ingezet als nachtjager. In die rol had het succes omwille van zijn grote actieradius, vuurkracht en de ruimte die het kon bieden aan een radarinstallatie. Beruchte azen uit de Duitse Nagdjagd waren onder andere Heinz Wolfgang Schnaufer, Helmut Lent en Egmont Prinz zur Lippe Weissenfeld. Alle drie waren tijdelijk gelegerd in Nederland op Fliegerhorst Leeuwarden. Schnaufer presteerde het om op één dag negen bommenwerpers neer te halen, waarvan hij ‘s nachts zeven neerschoot.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog waren ook veertig stuks Bf 110 in Nederland gestationeerd op de Fliegerhorst Deelen in het 3e Zerstörergeschwader.