Stirling EF399

 

Onderstaand rapport over de Stirling-crash is geschreven door Coen Cornelissen, onderzoeker naar de luchtoorlog in Oost-Nederland en schrijver van de boeken:

Huzaren van de Nacht, deel 1, ISBN 90-6693-100-0 en
Van Grasmat tot Fliegerhorst, ISBN 90-6693-090x

Inleiding:

In de nacht van 22 op 23 juni 1943 hadden de bommenwerpers van Britsh Bomber Command Muelheim als doel. De RAF zond een vloot van 557 vliegtuigen naar de stad, bestaande uit 242 Lancasters, 155 Halifaxes, 93 Stirlings, 55 Wellingtons en 12 Mosquito bommenwerpers.

De aanval was een groot succes. Zowel het centrum als het noordelijke deel van Muelheim veranderde in as, alsmede de oostelijke delen van Oberhausen.
578 mensen werden gedood en 1174 gewond. Hierdoor werden 27 scholen, 17 kerken en 6 ziekenhuizen en nog andere instituten volgepropt met mensen.

Tijdens deze ene raid werd minstens 64% van de stad vernield………….
Bomber Command verloor 6,3% van haar ingezette luchtvloot, in totaal 35 vliegtuigen.

Stirling EF399 AA-O:

Een van de vliegtuigen, die smeulend op het Twentse land was achtergebleven, was de Short Stirling Mark I, genummerd EF399. Als roepnaam was de bommenwerper gemarkeerd met de letters AA-O. “AA” betekende dat het vliegtuig behoorde tot 75 Squadron en de “O” was de unieke roepnaam. De machine maakte deel uit van het 75 (NZ)[ =Nieuw Zeeland] Squadron van de RAF en verliet Newmarket Airport op 22 juni om 23.37 (Engelse tijd).

Tijdens de terugvlucht ontvingen de overige Squadron-vliegtuigen een bericht van de Stirling AA-O. De navigator Flight Sergeant Donald E. Martin rapporteerde dat het vliegtuig zwaar getroffen was door Flak (FLugzeug Abwehr Kanone). Niettemin was het vliegtuig nog steeds luchtwaardig, maar omdat het substantieel langzamer vloog, was het een gemakkelijke prooi voor de Duitse nachtjagers.

Om 02.47 uur op een hoogte van 4300 meter werd de machine geraakt door een Messerschmitt BF110 nachtjager, vatte vlam en stortte neer. Tot op dat moment had de piloot zijn machine nog steeds onder controle. Hij slaagde er nog in om het commando “verlaat het vliegtuig” te geven, waardoor op het allerlaatste moment er nog twee bemanningsleden uit sprongen. De bommenwerper vloog op dat moment al zo laag, dat deze 2 mensen met ongeopende parachutes nabij het wrak op de grond terecht kwamen. Op het laatste moment brak de staart van het brandende vliegtuig. Dit was waarschijnlijk de oorzaak dat het niet meer mogelijk was om een noodlanding te maken, omdat nagenoeg direct daarna de machine zich in de grond boorde………

 

De bemanning:

De bemanning bestond uit de volgende personen:

Piloot Flight Sergeant Kenneth Alfred Burbidge from Byfleet, Surrey, NZ.
Age 22, Military Number: 412200, RNZAF
Grave: General Cemetery Markelo, plot 4, row c, grave number 13.

Flight Engineer Sergeant George Lockey
Military Number: 1142645, RAF
Grave: General Cemetery Markelo, plot 4, row c, grave number 15.

Navigator Flight Sergeant Kenneth Walter Frederick Wilcockson from
Christchurch, Canterbury, New Zealand
Age 34, Military Number: 42314, RNZAF
Grave: General Cemetery Markelo, plot 4, row c, grave number 17.

Bomb Commander Flight Sergeant Andrew James McEwin from Waiuta, Nelson, NZ.
Age 25, Military Number: 4170770, RNZAF
Grave: General Cemetery Markelo, plot 4, row c, grave number 14.

Wire Operator / Gunner Flight Sergeant Donald Ernest Martin from Otahuhu, Auckland, NZ
Age 26, Military Number: 413872, RNZAF
Grave: General Cemetery Markelo, plot 4, row c, grave number 16.

Forward Gunner (nose) Sergeant Gibson Cameron from Perth, Scotland,
Age 23, Military Number: 1304742, RAF
Grave: General Cemetery Markelo, plot 4, row c, shared grave 11-12.

Tail Gunner Sergeant Kenneth Fazackerley Shaw from Prestwich, Lancashire,
Age 22, Military Number: 1132866, RAF
Grave: General Cemetery Markelo, plot 4, row c, shared grave 11-12.

De crash:

Zoals reeds vermeld werd de AA-O om 02.47 uur neergeschoten. De bommenwerper vloog van het zuiden (van het Twentekanaal) naar het noorden richting Markelo. Boven de Markelose Berg maakte de machine een scherpe bocht naar rechts. Net voordat het vliegtuig deze bocht maakte sprongen de 2 mannen overboord, zoals eerder beschreven. Net voor de abrupte bocht naar rechts brak de staart af (dit veroorzaakte waarschijnlijk het einde van de vlucht). Hierna dook het vliegtuig scherp naar beneden, komend uit noordwestelijke en vliegend naar zuidoostelijke richting. De Stirling raakte de grond en gleed stuiterend en schokkend van de Markelose Berg. De machine richtte zicht zelf nog een keer op en stortte toen met een smak neer in een akker aan de Roosdomsweg, dat eigendom was van de familie Vedders. De neerstorting veroorzaakte een kleine krater in de grond.

De redding:

Nadat het vliegtuig tot stilstand was gekomen veranderde de omgeving in een vuurzee. Het wrak en de wijd verspreide onderdelen lagen uren te branden. De volgende morgen verzamelden de Duitsers de lijken in een rij naast het wrak.

De volgende dagen werd de rommel opgeruimd door een bergingscommando van de schrootverwerking uit Utrecht. Dit was een soort metaal afval verwerkingsbedrijf , wat vliegtuigwrakken verzamelde en sloopte. Zowel Duitsers als Vlaamse Belgen werkten voor dit bedrijf. In maart 1994 is er nog een plaatselijk onderzoek uitgevoerd met gebruik van een diepte metaal detector, doch zonder enig resultaat. Met een gewone metaaldetector werden enkele onbelangrijke metalen deeltjes van het vliegtuig gevonden.

De omgekomen bemanningsleden werden op 25 juni 1943 begraven. In eerste instantie werden uitsluitend de overblijfselen van de Sergeanten Burbidge, McEwin en Wilcockson geïdentificeerd. Door deze informatie is het bijna zeker, dat twee van deze officieren de mannen waren die voor het neerstorten uit het vliegtuig zijn gesprongen. De overige bemanningsleden werden in het wrak gevonden en waren erg verminkt. Daardoor konden ze niet eerder dan in 1946,1947 geïdentificeerd worden. Deze informatie werd gevonden aan de hand van dagboeken, identificatieplaatjes en militaire nummers, die gevonden werden op horloges, juwelen en kleren.

De winnaar:

De Stirling werd neergeschoten door Hauptmann Egmont Prinz zur Lippe Weissenfeld. De aanval werd voor Weissenfeld zijn 42-ste nachtelijke triompf. Hauptmann Zur Lippe Weissenfeld was op Fliegerhorst Twente de Groepscommandant van de Derde Nachtjagersgroep van het Eerste Nachtjagereskader , dat bekend stond als III./NJG 1. Weissenfeld was commandant van dit Squadron binnen de Staf III./NJG 1.

Prinz zur Lippe Weissenfeld werd geboren op 14 juli 1918 in Salzburg (Oostenrijk). Alhoewel van adelijken bloede waren de Weissenfelds geen familie van ZKH Prins Bernhard, zoals in het verleden ten onrechte gepubliceerd is.
Weissenfeld was een echte aas (kampioen vliegenier), zoals die werden genoemd vanwege de vele overwinningen die toegeschreven konden worden aan de nachtjager experts. Weissenfeld had bij zijn dood 51 “Abschusse” op zijn naam staan. De AA-O was er een van……… Aan boord van de Messerschmitt werd Weissenfeld geassisteerd door Oberfeldwebel Rennettte. Dit was de “Bordfunker”, die, naast andere zaken, de Liechtenstein SN-2 radar bekeek.

Egmont Prinz zur Lippe Weissenfeld ontving op 16 april 1942 het Ridderkruis, de hoogste onderscheiding in Duitsland. Op 2 augustus 1943 ontving hij het additionele Eikenloof. De hoog onderscheiden officier stortte op 12 maart 1944 bij Sint Hubert inde Belgische Ardennen neer. Weissenfeld vertrok van Parchim (Noord Duitsland) naar het Franse Laon-Athies, om afscheid te nemen van zijn oude groep III./NJG 1, die toen naar Laon-Athies verhuisd was. Tijdens de vlucht kwam hij in slecht weer terecht, waardoor hij tegen een heuvel aan vloog. Als oorzaak werd ijsafzetting op de vleugels en slecht zicht gegeven. Zijn graf bevindt zich op de Duitse Oorlogsbegraafplaats in IJsselstein Limburg.

Het luchtgevecht:

Het luchtgevecht verliep als volgt: Nadat Weissenfeld’s Messerschmitt Bf.110 opgestegen was van Twente vloog het naar “Nachtjagdraum 4D” (geheel West-Europa was ingedeeld in afzonderlijke gevechtssectoren). Hier maakten Weissenfeld en Rennette contact met de “Jagerleitoffizier” , de commandant van deze gevechtssector. Dit was Oberfeldwebel Dreffkorn, die zelf in de gevechts controlepost zat. Dit was het grond radarstation in het Vinkenveldriet bij Denekamp. Daar zag de gevechtscommando-officier alle binnenkomende radarrapporten op een grote kaart. Hier werden alle binnenkomende vijandige vliegtuigen op aangegeven.
Al snel zag Ofw. Dreffkorn een vijandige plek. De details over de hoogte, richting enz. werden in de vorm van een gevechtscommando per radio doorgegeven aan de wachtende nachtjagerbemanning. Weissenfeld vloog toen in de aangegeven richting. Radio operator Rennette gebruikte de SN-2 radar. Nadat de bommenwerper ontdekt was werd het van boven aangevallen (Von Hinten-unten Angriff). Zij richtten op een van de aerodynamische vlakken. Hier zaten zowel de motoren als de benzinetanks. Een aanval met de neusgeschut deed de rest (2x 20 mm kanonnen en 4x 7,9 mm machinegeweren.) Voor III./NJG1 was dit de 169-ste overwinning in totaal.

Dit rapport is geschreven door Coen Cornelissen, onderzoeker naar de luchtoorlog in Oost-Nederland en schrijver van de boeken:

Huzaren van de Nacht, deel 1, ISBN 90-6693-100-0
Van Grasmat tot Fliegerhorst, ISBN 90-6693-090x

Informatie ter aanvulling:

Het complete levensverhaal van Egmont Prinz zur Lippe-Weissenfeld staat beschreven in het Engelstalige boek Princes of Darkness, ISBN 978 1 9032233 95 6, geschreven door Claire Rose Knott.

Hierin staat onder meer beschreven, dat de zussen van Prinz Egmont prinses Theodora en prinses Sophie werkelijk geloven, dat Hitler achter de dood van hun broer zat. Na de aanslag op zijn leven beschouwde hij de adel als onbetrouwbaar en mocht die geen hoge militaire posten meer bekleden.
Hierover volgt later meer op deze website.